Dat mag niet omdat ik het zeg

Een tijd terug was een van onze pedagogisch coaches in gesprek met een pedagogisch professional die net een kind had verboden om op de vensterbank te zitten. Ze vroeg haar, uit nieuwsgierigheid en om te verkennen, met welke reden ze deze regel stelt. ‘Thuis mag je toch ook niet op de vensterbank zitten!’, antwoordde zij. Maar sommigen mogen dat thuis wel..

Regels en grenzen.
Het is natuurlijk niet zo dat je kinderen nooit mag verbieden op de vensterbank te zitten. Maar met dit voorbeeld illustreren we dat er soms regels gesteld worden, omdat je het belangrijk vindt bepaalde normen over te dragen aan kinderen. Omdat je ze wil leren wat ‘normaal’ is, en wat sociaal geaccepteerd wordt. Uiteraard is het overbrengen van normen en waarden een belangrijke taak die bij onze functie hoort. In de praktijk blijkt echter vaak dat het verbaal laten gelden van deze regel, gemakkelijk strijd oplevert. Kinderen leren veel meer van naleven. Als jij dus niet wil dat kinderen op de vensterbank gaan zitten, leer je ze dit het best door het zelf ook niet te doen. Kinderen trekken hier zelf hun conclusies uit.

Bij het overbrengen van normen en waarden is het verder belangrijk om positief gedrag dat je ziet en het effect daarvan te benoemen. Bijvoorbeeld: ‘Jij zei dankjewel tegen oma en nu lacht ze. Oma vindt het fijn als jij dankjewel zegt!’ Op deze manier leren kinderen zelf dat het prettig voelt wanneer ze zich aan bepaalde normen houden, en doen ze dat niet alleen omdat jij het zegt. Uiteindelijk levert dit meer op dan kinderen telkens wijzen op wat volgens jou wel en niet hoort.

Onze pedagogisch coaches krijgen wel eens de vraag: ‘Als ik ruimte biedt voor initiatief, betekent dit dan dat kinderen zomaar alles mogen?’ en ‘Wat zegt het pedagogisch kompas nou eigenlijk over regels en grenzen?’

Het kompas heeft als doel jou richting te geven in je handelen, en niet om jou voor te schrijven wat goed of fout is. Wat wel stellig benoemd mag worden, is dat bepaalde kaders nodig zijn waarbinnen kinderen hun vrijheid krijgen. Het bieden van deze kaders is belangrijk voor de veiligheid van het kind, maar ook om de basisregels van de sociale omgang bij te brengen. Belangrijk is hierbij om rekening te houden met de leeftijd van het kind. Van een kind op de bso kun je natuurlijk iets heel anders verwachten in het stellen van regels en overbrengen van sociale normen, dan van een dreumes of een kind dat net de peuterleeftijd bereikt heeft.

Wat zijn dan de juiste kaders?
Belangrijk om hierbij na te gaan is of de regels die je hebt functionele regels zijn. Zijn de regels er omdat ze een doel dienen? Of zijn ze er uit automatisme, geldt de regel omdat dit een hele tijd geleden nou eenmaal zo is afgesproken?

Probeer jezelf deze vraag de komende tijd eens bewust te stellen wanneer je ‘nee’ zegt tegen een kind.

Om terug te komen op de vraag ‘wat zegt het kompas hierover?’, kunnen we wel handvatten geven. Ons kompas is immers gebaseerd op het ervaringsgericht werken van Ferre Laevers. En in zijn boek ervaringsgericht werken in de voorschoolse kinderopvang, vertelt hij over de pijler ruimte voor initiatief en het bieden van kaders.

Ruimte voor initiatief.
‘Ruimte voor initiatief’ betekent niet dat kinderen zomaar kunnen doen wat ze willen. Duidelijke regels en afspraken zijn nodig om het leven in de groep voor iedereen veilig te maken. Volgens Laevers zou een regel een van de volgende motieven moeten dienen om een functionele regel te zijn:

  • Het voorkomen van (materiële, lichamelijke en psychische) schade. Kinderen leren dat materiaal stuk maken en elkaar pijn doen, niet kan.
  • Tegemoet komen aan het recht op activiteit van elk kind. Hiermee wordt bedoeld dat sommige regels dienen om te zorgen dat ieder ‘een deel van de koek krijgt’ en niet de wet van de sterkste geldt.
  • Ieder kind moet toegang hebben tot speelgoed en activiteiten. We leren daarom dat materiaal afpakken niet kan, en we zorgen voor beurtverdeling wanneer dit nodig is.
  • Chaos beperken. Op de opvang zitten we vaak met veel kinderen in een beperkte ruimte en dat heeft zo zijn gevolgen. Om alles in goede banen te leiden zullen er regels nodig zijn rond bijvoorbeeld het opruimen, de beweeglijkheid in een ruimte, etc.

Even terug naar het voorbeeld van de vensterbank. Als jij kinderen verbiedt om op de vensterbank te zitten omdat je het gevaarlijk vindt of omdat je bang bent dat er iets stuk gaat, is jouw regel dus functioneel. Maar ook bij functionele regels is het nog steeds belangrijk dat ze het welbevinden en de betrokkenheid van de kinderen dienen. Regels zouden er dus niet moeten zijn uit gewoonte, of omdat het jou zo nou eenmaal beter uitkomt. Het blijft daarom goed om regelmatig eens stil te staan bij de regels en afspraken die je hanteert.

Tot slot een aantal tips die je bij het stellen van grenzen nog in overweging kunt nemen:

  • Denk na over het nut van je regel. Regels die niet zinvol zijn, kun je beter schrappen om onnodige conflicten te vermijden.
  • Leg zoveel mogelijk uit waarom je een regel stelt. Kinderen die begrijpen waarom iets van ze verwacht wordt, zullen sneller geneigd zijn zich ook aan deze regel te houden.
  • Wanneer je uitlegt waarom er bepaalde grenzen gelden, ben dan zo eerlijk mogelijk. Wanneer je een kind zegt geen bloemen uit de tuin te plukken omdat ‘de bloemen dat niet fijn vinden’, zal een kind dit minder snel aannemen dan wanneer je uitspreekt dat je het zélf niet fijn vindt als je geen bloemen meer in je tuin hebt staan.
  • Probeer de grenzen die je stelt zoveel mogelijk positief te benaderen. Dus in plaats van ‘nee’ te zeggen, kun je een kind wijzen op een alternatief dat wél mag.

Kinderen leren meer van doen wat jij doet dan van doen wat jij zegt. Wees een goed voorbeeld.

Geschreven door Astrid Kersten, Pedagogisch Coach.